Actions

Work Header

Het ongeluk

Chapter Text


Luid zingend zoefden ze over de snelweg. Jeroen reed, Dennis zat ernaast. Samen waren ze op weg naar Eindhoven, voor een voetbalwedstrijd van PSV. Dennis was dolgelukkig dat Jeroen nu steeds vaker mee wilde en om dan zijn eigen cluppie te mogen aanmoedigen live in het stadion, ja, daar ging zijn hart toch sneller van slaan.

De muziek stond hard en het meezingen bereikte langzaam steeds meer absurde proporties. Van het normaal tweestemmig zingen, waren ze al gauw verzand in elkaar overtreffen met het zingen in verschillende stemmetjes. De stemming zat er goed in, evenals de slappe lach die steeds weer terug dreigde te komen.

“Dennis, nu moeten we ophouden hoor”, hikte Jeroen, nog nalachend van Dennis’ poging tot zingen in de stem van Donald Duck. “Ik probeer te rijden!”

“Oké, maar alleen als jij…”, begon Dennis in een hele hoge stem. Hij kuchte even en schakelde over naar zijn normale stem. “Alleen als jij bij het volgende tankstation trakteert op een ijsje.” Hij keek met twinkelende ogen opzij naar zijn vriend. Jeroen deed alsof hij nadacht en draaide zijn hoofd opzij om Dennis aan te kijken. “Deal”, antwoordde hij, en hij trok een gekke bek. Dennis schoot opnieuw in de lach, waarop Jeroen ook weer moest lachen.

Ze zeggen wel eens dat het noodlot je treft als de donder.

Plotseling een harde klap. De auto sloeg tegen de vangrail, vloog over de kop, stuiterde nog een keer en kwam weer op vier wielen terecht op de meest linker rijbaan, met de neus de verkeerde kant op. Alles ging zo snel dat ze allebei niet eens de tijd hadden om te gillen.

Dennis opende zijn ogen zodra de wereld ophield met tollen. Hij voelde wat warms langs zijn wang lopen. Wat verward streek hij met zijn hand erlangs en bekeek het. Zijn vingers waren donker gekleurd met een kleverige rode substantie. Bloed. Het duurde even voordat hij door had wat er zojuist was gebeurd. Nog half daas van de klap maakte hij zijn autogordel los, deed zijn portier open en strompelde om de auto heen. De auto die hen geraakt had lag zo’n 200 meter achter hen, ondersteboven. Op de snelweg was direct een file ontstaan. Iemand had zijn auto achter die van hen geparkeerd en liep te telefoneren.

“Jeroen”, schoot er ineens door Dennis’ hoofd heen. Hij liep naar het portier aan de bestuurderskant en opende die. Daar hing Jeroen bewusteloos in zijn autogordels, zijn hoofd rustend op de airbag. Bloed drupte langs zijn gezicht.

Dennis onderdrukte zijn eerste paniek en tikte voorzichtig met twee vingers tegen Jeroens wang. “Jeroen? Jeroen?” Geen reactie. “Jeroen? Kom, we moeten de auto uit. Veel te gevaarlijk hier midden op de snelweg.” Nog steeds geen reactie. Schrik sloeg Dennis om het hart. Hij greep Jeroens pols en constateerde opgelucht een zwakke hartslag. Ergens in zijn hoofd kwam bovendrijven dat je mensen moest laten zitten zoals ze waren zodat de ambulancebroeders beter kunnen helpen. Hij kuste Jeroens wang en fluisterde “Maak je maar geen zorgen. Alles komt goed zo.” Net toen Dennis aanstalten wilde maken om op de vangrail te gaan zitten wachten, opende Jeroen zijn ogen. “Dennis?”

Gelijk snelde Dennis naar hem toe. “Jeroen! Hoe gaat het?”

“Wat is er gebeurd?”

“Auto-ongeluk.”

Jeroen hoestte niet zachtzinnig en ademde moeizaam. “Ik heb het zo koud, Dennis.”

Gelijk sloeg Dennis een arm om hem heen. “Nog even volhouden, Jeroen. De ambulances zijn er zo.” Er waren inderdaad in de verte de eerste flauwe klanken van sirenes te horen.

Jeroen schudde zijn hoofd. “Kijk me aan, Dennis.” Hij hoestte weer. Toen Dennis gehoorzaamde ging hij verder. “Luister goed. Vertel Claire en de kids dat ik van ze hou. Zorg goed voor ze.” Hij haalde een paar keer raspend adem.

Dennis begreep wat Jeroen aan het doen was en schudde zijn hoofd. “Nee Jeroen, nee! Jij gaat ze dat zelf vertellen straks. Je moet gewoon bij me blijven, hier.”

Jeroen keek hem indringend aan. “Beloof me dat je goed voor ze zorgt.” Dennis opende zijn mond om te protesteren, maar knikte toen. “Ik beloof het, Jeroen.”

Jeroen glimlachte, hoestte en vervolgde: “Ik zeg het misschien niet zo vaak, Dennis, maar ik hou van je. Ik kan me geen betere vriend wensen dan jij. Ga door met waar je goed in bent, Dennis. Vergeet niet wie je bent, ook zonder mij.”

Nu verschenen er tranen in Dennis’ ogen. “Ik hou ook van jou, Jeroen. Ga niet dood, alsjeblieft.”

Als antwoord hoestte Jeroen nog erger en zijn ademhaling werd nog moeizamer. Onverwacht sterk trok hij Dennis naar zich toe en kuste hem, vol op zijn lippen. Voordat Dennis de kans had verbaasd te zijn, liet Jeroen al weer los.

“Deze is voor Marie-Claire. Beloof me dat je die aan haar door geeft”, fluisterde Jeroen zwakjes.

“Dat beloof ik, Jeroen”, zei Dennis met een klein stemmetje. Hij wreef met één hand over Jeroens rug heen en weer. "Maar je moet nog even volhouden nu. Je gaat haar die kus zelf geven." De sirenes waren al redelijk dichtbij en Dennis hoopte met alles dat in hem was, dat ze niet te laat zouden zijn. Jeroens ademhaling was zwak. 

Jeroen sloot zijn ogen en fluisterde “Zing voor me, Dennis.”

Dennis gehoorzaamde. Hij bracht zijn mond bij Jeroens oor, drukte zijn voorhoofd tegen diens bebloede slaap en zong zacht ‘Slaap lekker lief’ voor hem. Tranen rolden geruisloos over zijn wangen terwijl hij dat deed. Ze drupten op Jeroens schouder en trokken een spoor van verdriet over zijn leren jasje heen.

Jeroens ademhaling werd steeds moeizamer en langzamer en Dennis merkte dat zijn lied als vanzelf was overgegaan in een smeekbede. "Blijf bij me Jeroen. Alsjeblieft, blijf bij me..." Op dat moment stopten de sirenes bij de plaats van het ongeluk, alleen Dennis was te gefocust op Jeroen om het te merken.

Opeens voelde Dennis een hand op zijn schouder. Een vriendelijke stem zei “Meneer? Gaat het?” Met betraande ogen keek hij op, in het gezicht van een ambulancebroeder.

“Potverdorie, Hans, dat is die grappenmaker, ehm... Jeroen van Koningsbeugel!”, riep een tweede ambulancebroeder uit die erbij was komen staan. De eerste keek nog eens goed. “Inderdaad, je hebt gelijk. Dat is Jeroen van Koningsbrugge”, bevestigde deze. “Maar dan moet dat… Dennis van de Ven?”

Dennis knikte en keerde zich weer naar Jeroen. "De mensen van de ambulance zijn er. Gewoon nog even volhouden, lief. Nog even volhouden", fluisterde hij in diens oor. 

De ambulancebroeders wisselden een blik en de eerste legde zijn hand weer op Dennis’ schouder. “Kom, meneer Van de Ven, wij nemen het van u over. En U moeten we meenemen naar de ambulance om te kijken naar uw hoofdwond. Dan halen we uw vriend uit de auto en kunnen we hem ook onderzoeken. Is dat goed?”

Ergens wist Dennis ook wel dat hij niet zo kon blijven zitten, dus hij knikte, stond op en liep met de broeder mee naar de ambulance. Daar kreeg hij een nekbrace om, werd zijn gezicht schoongemaakt en de wond op zijn voorhoofd gehecht. Hij voelde het niet eens, zo verdoofd was hij door het ongeluk en alles dat zich daarna had afgespeeld. Hij keek toe hoe Jeroen uit het autowrak werd gehaald en op een brancard werd gelegd. 200 meter verderop werd hetzelfde gedaan bij de bestuurder van de auto die hen geraakt had. Voor hem kon Dennis nu even geen medelijden opbrengen.

De tijd verstreek in een grote verwarde waas. Voordat Dennis het door had spoot de ambulance met de andere bestuurder erin met sirene en al weg, en ook de ambulance waar Jeroen in verdwenen was maakte zich klaar voor vertrek. 

"Wilt u met hem mee, meneer?", vroeg de broeder die Hans heette. 

Dennis probeerde te knikken, maar hij werd gehinderd door de nekbrace. De broeder wenkte hem echter direct mee zonder op antwoord te wachten en hielp Dennis de stoel naast de brancard in. De deuren gingen dicht, de sirene aan, en de ambulance gierde weg. Dennis greep Jeroens hand vast, sloot zijn ogen en leunde achterover. Als ze niet de slappe lach hadden gehad in de auto, zou het dan anders gegaan zijn? Zouden ze dan nu in het stadion zitten, kijkend naar voetbal? Het kon hem eigenlijk niet zo veel schelen. Zolang Jeroen het ongeluk maar zou overleven.